Een systematische review in Public Health (2026) verzamelde alle studies over alcohol en hart- en vaatuitkomsten die tussen januari 2023 en juli 2025 verschenen. Tweeënhalf jaar aan publicaties. De vraag was niet wat eruit kwam, maar hoe het onderzocht was.

Wat ze deden

Acht publicaties voldeden aan de criteria. Per studie keken de onderzoekers hoe de controlegroep was samengesteld, of bekende bronnen van vertekening waren meegenomen, en of de auteurs de beperkingen van hun eigen opzet benoemden.

Wat ze vonden

Van de 8 studies:

  • 5 rapporteerden beschermende effecten van laag tot matig alcoholgebruik
  • 3 vonden die effecten niet

Het verschil zat niet in de data. Het zat in de methode.

De vijf "positieve" studies vergeleken drinkers met niet-drinkers of met mensen die nooit gedronken hebben. Daar zit meteen de vertekening. Onder mensen die helemaal niet drinken zit namelijk een onevenredig grote groep die gestopt is vanwege ziekte of slechte gezondheid. Vergelijk een matige drinker met zo'n groep en die matige drinker komt er automatisch gezonder uit. Niet omdat alcohol helpt, maar omdat de controlegroep gemiddeld al zieker was.

Eén van de acht studies noemde dit probleem. Eén. Geen enkele paste een methode toe om het te beoordelen of te corrigeren.

De drie studies met neutrale of negatieve bevindingen deden het anders:

  • ze lieten niet-drinkers helemaal buiten de vergelijking en werkten alleen met drinkers van verschillende intensiteit
  • of ze gebruikten Mendeliaanse randomisatie (MR), waarbij genetische varianten de plaats innemen van zelfgerapporteerd gebruik

Mendeliaanse randomisatie is een van de weinige manieren om in observationeel onderzoek toch iets over oorzaak en gevolg te zeggen: je kiest je genen niet, dus een genetische aanleg voor lager gebruik is niet verstrengeld met andere gedragsfactoren. Deze drie studies vonden geen beschermend effect.

Eén geclaimd voordeel noemen de reviewauteurs ronduit "onplausibel": 40% minder hart- en vaatgebeurtenissen bij minder dan één glas per week, vergeleken met niet-drinkers. Geen enkel bekend fysiologisch mechanisme dat dat kan verklaren.

En er speelt nog iets. Sommige studies konden hun data zowel positief als negatief presenteren. De onderzoekers kozen zelf welke invalshoek in de hoofdconclusie terechtkwam.

Wat dit betekent

Dit is geen aanklacht tegen individuele wetenschappers. Alcoholepidemiologie zit vol bekende methodologische valkuilen, en de meeste studies rekenen daar gewoon niet mee. Of ze doen het wel, maar zetten het niet in de tekst.

Twee vragen die je bij zo'n studie kunt stellen:

  • Met wie vergelijken ze? Bestaat de controlegroep uit mensen die nooit gedronken hebben, of uit "niet-drinkers" zonder verder onderscheid, dan is het resultaat twijfelachtig.
  • Is er gecorrigeerd voor confounding? Mendeliaanse randomisatie bijvoorbeeld, of het uitsluiten van voormalige drinkers die om gezondheidsredenen gestopt zijn. Zo niet, dan hoort het vertrouwen in een beschermend effect laag te zijn.

Eigenlijk komt het neer op die eerste vraag: met wie vergeleken ze?

Kanttekeningen

Acht studies in 2,5 jaar is een kleine steekproef voor brede conclusies. Belangenconflicten en financieringsbronnen van de originele studies zijn niet beoordeeld. En de reviewauteurs hebben zelf ook een voorkeur voor strenge methoden, dat speelt mee. Maar die 40% winst bij minder dan één glas per week blijft lastig te verdedigen zolang niemand uitlegt welke fysiologie daarachter zou zitten.

Bron: Public Health, doi:10.1016/j.puhe.2026.106331